De geschiedenis van Franse wijn: hoe Gallië een wijnland werd
Van Etruskische amforen tot kloosterwijngaarden: hoe Frankrijk in vijftien eeuwen uitgroeide tot een land van wijn.
Wie vandaag door de wijngaarden van de Côte-Rôtie, de Médoc of Bourgogne loopt, bevindt zich in een landschap dat bijna vanzelfsprekend met wijn verbonden lijkt. Alsof de wijnstok er altijd heeft gestaan en alsof Frankrijk vanaf het begin bestemd was om wijnland te worden.
De werkelijkheid is veel interessanter.
De geschiedenis van Franse wijn begon lang voordat er sprake was van Frankrijk, van appellations of zelfs van een herkenbare Franse cultuur. De eerste wijn kwam niet uit Bordeaux of Bourgogne, maar over zee. Hij werd aangevoerd door kooplieden uit Italië en de Griekse wereld, opgeslagen in aardewerken amforen en gedronken door gemeenschappen voor wie bier veel vertrouwder was dan wijn.
Pas eeuwen later zou de wijnstok zich vanuit het Middellandse Zeegebied over Gallië verspreiden. Romeinse handelaren en kolonisten speelden daarbij een doorslaggevende rol. Na de ondergang van het Romeinse Rijk verdwenen de wijngaarden vervolgens allerminst. Ze werden onderdeel van een nieuw economisch en maatschappelijk landschap waarin bisschoppen, kloosters, aristocraten en boeren allemaal hun aandeel hadden.
Rond het jaar 1000 was het fundament gelegd voor iets wat toen nog niemand als een nationale wijncultuur zou hebben herkend, maar waarin veel contouren van het latere Frankrijk al zichtbaar zijn.
Voordat Frankrijk wijn dronk
Omstreeks 2500 jaar geleden bestond Frankrijk niet. Het gebied dat later Gallië en uiteindelijk Frankrijk zou worden, was bewoond door verschillende Keltische gemeenschappen. Zij bedreven landbouw, verbouwden granen en maakten daarvan bier. Ook honing kon worden vergist tot mede.
Wilde wijnstokken groeiden wel in delen van het gebied, maar er zijn geen overtuigende aanwijzingen dat de lokale bevolking daar vóór de komst van mediterrane handelaren op betekenisvolle schaal wijn van maakte. De druiven van wilde wijnstokken waren bovendien veel minder geschikt voor efficiënte wijnproductie dan de gedomesticeerde druiven die elders rond de Middellandse Zee werden geteeld.
Dat bier in deze vroege samenleving een normale plaats innam, zou later veel zeggen over de culturele lading van wijn. Voor Grieken en Romeinen was wijn namelijk niet slechts een drank. Hij hoorde bij hun voorstelling van beschaving.
In hun ogen liep er een scheidslijn tussen volkeren die wijn dronken en volkeren die bier dronken. Dat oordeel zegt uiteraard meer over Griekse en Romeinse zelfbeelden dan over de werkelijke verfijning van de verschillende samenlevingen. Maar voor de verspreiding van de wijncultuur was het belangrijk: handel in wijn ging gepaard met handel in gewoonten, rituelen en status.
De Franse wijnwereld begon dus niet in een wijngaard.
Hij begon aan de kade.
De eerste wijn kwam uit Italië
De oudste duidelijke sporen van wijnhandel naar het huidige Zuid-Frankrijk wijzen naar de Etrusken. Deze beschaving in Midden-Italië, in een gebied dat deels overeenkomt met het huidige Toscane, handelde al eeuwen vóór de Romeinse dominantie over grote delen van het westelijke Middellandse Zeegebied.
Vanaf ongeveer de zevende eeuw voor Christus bereikten Etruskische wijnen de mediterrane kust van het huidige Frankrijk. De tastbaarste getuigen daarvan zijn amforen: grote aardewerken vaten waarin wijn, olie en andere goederen over zee werden vervoerd.
Soms wordt die oude wijnhandel bijna cinematografisch zichtbaar.
Voor de kust bij Grand Ribaud, ten oosten van Toulon, werd een Etruskisch scheepswrak gevonden waarvan het ruim ongeveer duizend amforen bevatte. Samen konden die naar schatting omstreeks 40.000 liter vervoeren — grofweg het volume van tienduizenden moderne flessen.
Dat ene schip vertelt iets wezenlijks. Wijn was in deze periode geen incidenteel meegenomen luxeartikel meer. Er bestonden georganiseerde handelsstromen, opslagplaatsen, afnemers en routes.
De wijn zelf zou een moderne drinker waarschijnlijk vreemd hebben gesmaakt. Analyses van resten in antieke amforen wijzen niet alleen op druivenproducten, maar ook op stoffen als hars en kruiden. Rozemarijn, basilicum en tijm konden deel uitmaken van de aromatische wereld van antieke wijn. Hars hielp waarschijnlijk eveneens bij conservering en beïnvloedde onvermijdelijk de smaak.
Wie zich de eerste wijnen op Frans grondgebied voorstelt als vroege versies van een Provençaalse rosé of een kruidige Rhône, zit er dus ver naast.
Het waren producten uit een andere wijnwereld.
Massalia: waar wijnhandel wijnbouw werd
Rond 600 voor Christus veranderde het machtsevenwicht aan de kust. Griekse kolonisten uit Phocaea, aan de westkust van het huidige Turkije, stichtten Massalia: het latere Marseille.
Met de Grieken arriveerde een samenleving waarin wijn diep in het dagelijks leven was verweven. Wijn werd gedronken bij maaltijden, gebruikt bij religieuze gelegenheden en geschonken tijdens sociale bijeenkomsten. In de hogere kringen gebeurde dat onder meer tijdens het symposium, een sterk geritualiseerde bijeenkomst waarbij wijn doorgaans met water werd gemengd.
Massalia werd een belangrijk handelscentrum en de hoeveelheden wijn die via de haven werden aangevoerd, moeten aanzienlijk zijn geweest. Vanuit de kust trok de wijn verder het binnenland in, onder andere via de Rhône en de Saône.
Maar belangrijker voor de geschiedenis van Franse wijn was wat daarna gebeurde.
De Grieken begonnen zelf wijnstokken te planten.
Archeologen hebben rond Marseille en andere nederzettingen aanwijzingen gevonden voor lokale druiventeelt en wijnproductie. In Massalia werden bovendien vanaf ongeveer het einde van de zesde eeuw voor Christus eigen amforen vervaardigd. Dat is veelzeggend: transportvaten op grote schaal produceren heeft weinig zin als er geen lokaal product bestaat om erin te bewaren en te verhandelen.
Ook bij Lattara, nabij het huidige Lattes ten zuiden van Montpellier, zijn resten gevonden die op wijnproductie wijzen, waaronder druivenpitten en een stenen installatie die als persplaats wordt geïnterpreteerd.
Rond 500 voor Christus kunnen we daarom voor het eerst met enige zekerheid spreken van wijnbouw langs de mediterrane kust van het huidige Frankrijk.
Daar begint de Franse wijnbouw in fysieke zin: niet als nationaal verschijnsel, maar als mediterrane landbouwpraktijk.
Wijn werd eerst prestige, pas later dagelijkse cultuur
De aanwezigheid van wijngaarden betekende niet dat de Keltische bevolking plotseling massaal wijn ging drinken.
Wijn was aanvankelijk kostbaar, en geïmporteerde wijn nog meer. Het ligt daarom voor de hand dat vooral de rijkere lagen van de samenleving ermee in aanraking kwamen. Voor hen kon wijn fungeren als teken van status en als middel om aansluiting te zoeken bij de prestigieuze mediterrane cultuur.
Een van de spectaculairste archeologische getuigen daarvan werd niet in Zuid-Frankrijk gevonden, maar in Bourgogne.
Bij Vix, nabij Châtillon-sur-Seine, werd in het graf van een Keltische vrouw uit de elite een enorme bronzen Griekse krater gevonden. Zo’n vat werd in Griekenland gebruikt om wijn en water te mengen. Het exemplaar uit Vix is uitzonderlijk groot en was vermoedelijk eerder een demonstratie van rijkdom en prestige dan een alledaags gebruiksvoorwerp.
Samen met ander Grieks drinkgerei toont de vondst hoe ver de culturele uitstraling van mediterrane wijn reikte.
Dit is een terugkerend patroon in de geschiedenis van wijn. Een nieuwe drank wordt zelden uitsluitend vanwege zijn smaak overgenomen. Hij kan prestige, identiteit en sociale positie uitdrukken.
Lang voordat wijn een vanzelfsprekend onderdeel van de Franse landbouw werd, was hij al een cultureel symbool.
De Romeinen maken van wijn een netwerk
De Grieken legden een eerste fundament, maar de werkelijke schaalvergroting kwam met Rome.
Vanaf het einde van de tweede eeuw voor Christus breidde de Romeinse macht zich uit over Zuid-Gallië. Het gebied langs de Middellandse Zee werd opgenomen in de provincie Gallia Narbonensis, met Narbonne als belangrijk centrum.
Aanvankelijk kwam een groot deel van de wijn nog uit Italië. Romeinse en Italiaanse handelaren vervoerden enorme hoeveelheden in amforen naar Gallië. Resten daarvan zijn niet alleen in Zuid-Frankrijk gevonden, maar ook rond Toulouse, Bordeaux, langs de Dordogne en tot diep in het gebied van Loire en Saône.
De geografie van die handel is voor een moderne wijnliefhebber opvallend herkenbaar.
Rivieren waren de snelwegen van de oudheid. Zwaar transport over land was duur; vervoer over water was efficiënter. De Rhône, Saône, Garonne, Dordogne en Loire bepaalden daarom waar wijn gemakkelijk kon komen en waar productie economisch aantrekkelijk werd.
Dat verklaart mede waarom zoveel latere Franse wijngebieden rond riviersystemen liggen.
Niet omdat de Romeinen de appellationkaart van Frankrijk ontwierpen, maar omdat dezelfde geografische logica eeuwenlang bleef gelden: wijn heeft niet alleen geschikte grond en klimaat nodig, maar ook mensen die hem kunnen kopen en een manier om hem daar te krijgen.
Waarom lokale wijn de import begon te verdringen
Wanneer een gebied veel wijn consumeert maar die over grote afstanden moet invoeren, ontstaat vanzelf een economisch motief om dichter bij de markt te produceren.
Dat gebeurde ook in Gallië.
Romeinse kolonisten begonnen wijngaarden aan te leggen in Zuid-Frankrijk. Vanuit de mediterrane zone schoof de wijnbouw vervolgens steeds verder noord- en westwaarts. Gaillac geldt als een waarschijnlijk vroeg centrum van Romeinse wijnproductie. De ligging aan de Tarn was gunstig: via deze rivier kon wijn de Garonne en vervolgens belangrijke afzetmarkten als Toulouse en Bordeaux bereiken.
Ook rond Vienne, in de noordelijke Rhône, bestond in de eerste eeuw na Christus een reputatie voor wijn. Latere bronnen plaatsen wijngaarden in een zone die voor hedendaagse wijnliefhebbers onmiddellijk tot de verbeelding spreekt, in de omgeving van wat nu appellations als Côte-Rôtie en Hermitage zijn.
Het zou echter misleidend zijn om een rechte lijn te trekken van die Romeinse wijn naar een hedendaagse Côte-Rôtie.
De landschappen overlappen misschien, maar druivenrassen, wijngaardtechnieken, vinificatie en smaakvoorkeuren zijn in tweeduizend jaar ingrijpend veranderd.
De continuïteit zit vooral in de plaats.
Een vroeg voorproefje van Franse wijnexport
Een opmerkelijke episode vond plaats na de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Christus.
De ramp die Pompeï bedolf, trof ook de wijngaarden en wijnhandel van Campanië, een van de belangrijke productiegebieden van Italië. In de periode daarna blijken wijnen uit Gallië hun weg naar Italië te hebben gevonden.
Amforen van Gallische oorsprong zijn onder meer aangetroffen bij Ostia, de haven van Rome. Daarmee zien we een omkering van de oorspronkelijke handelsrichting: Gallië, lange tijd afnemer van Italiaanse wijn, begon zelf wijn terug naar het Italiaanse schiereiland te sturen.
Het zou overdreven zijn om hierin al de geboorte van de Franse exportmacht te zien. Maar symbolisch is het verleidelijk.
Het land dat zijn wijncultuur uit het Middellandse Zeegebied had geïmporteerd, werd producent.
Toen Gallische wijn een bedreiging werd
De groei van de wijnbouw buiten Italië had ook een politieke kant.
Onder keizer Domitianus werd in 92 na Christus een maatregel uitgevaardigd die de wijnbouw in de provincies moest beperken. Volgens de overgeleverde regelgeving moest een deel van de wijnstokken buiten Italië worden gerooid en mochten er geen nieuwe worden aangeplant.
De precieze motivatie blijft onderwerp van interpretatie. Mogelijk speelde voedselzekerheid een rol: te veel landbouwgrond zou van graan naar wijnstokken zijn verschoven. Tegelijkertijd beschermde een beperking van provinciale wijnbouw vanzelfsprekend ook Italiaanse producenten tegen concurrentie.
Hoe streng de regels daadwerkelijk werden toegepast, is onzeker. De verdere uitbreiding van de wijnbouw in Gallië suggereert in ieder geval dat de maatregel haar doel niet volledig bereikte. Uiteindelijk werd de beperking in de derde eeuw opgeheven.
Het is een fascinerend vroeg voorbeeld van een thema dat de Franse wijnwereld nog vele malen zou tegenkomen: de overheid die probeert in te grijpen in productie, aanplant en marktverhoudingen.
De huidige Franse wijnregulering is uiteraard van een totaal andere orde. Toch is de spanning herkenbaar. Wijn is nooit uitsluitend landbouw geweest. Zodra hij economisch belangrijk wordt, verschijnen regels.
De geschiedenis van Franse wijn trekt naar het noorden
In de eerste eeuwen van onze jaartelling schoof de wijnbouw geleidelijk voorbij de mediterrane gebieden.
Bordeaux kreeg wijngaarden. In Bourgogne verschijnen verwijzingen naar wijnbouw. Rond Auxerre werden druiven geteeld. Ook in de omgeving van Parijs verschenen later wijngaarden. Langs delen van de Loire zijn eveneens vroeg sporen van wijnproductie aangetroffen.
Rond het einde van de Romeinse periode bestond wijnbouw daarmee in een groot deel van de gebieden die eeuwen later tot de bekendste wijnregio’s van Frankrijk zouden behoren.
Voor de wijnstok betekende die expansie een enorme uitdaging.
Een druivenras dat goed presteert aan de Middellandse Zee hoeft zich niet thuis te voelen in een koeler, vochtiger klimaat. Noordelijker worden groeiseizoen en rijping kritischer. Sommige druiven zullen eenvoudig onvoldoende rijp zijn geworden; andere konden beter tegen wind, regen of lage temperaturen.
Daarmee ontstond een proces dat fundamenteel zou worden voor de Europese wijnbouw: lokale selectie.
Druiven moesten leren Frans te worden
Romeinse landbouwers beschikten over kennis van vermeerdering en enten. Zij konden plantmateriaal meenemen en verschillende typen wijnstokken uitproberen. De druiven die het beste functioneerden in een bepaalde streek kregen vanzelf een voordeel.
Uit Romeinse teksten kennen we enkele namen.
Rond Bordeaux werd de biturica verbouwd, een donkere druif die kennelijk geschikt was voor het vochtiger Atlantische klimaat. Haar precieze oorsprong is onzeker. Zij wordt in de historische en ampelografische discussie in verband gebracht met de bredere afstammingslijn waaruit later druiven van de carmenetgroep voortkwamen, waartoe onder andere cabernet franc en cabernet sauvignon behoren.
In de noordelijke Rhône was er de allobrogica, een donkere en laatrijpende druif die geschikt lijkt te zijn geweest voor koelere omstandigheden. Ook hier is voorzichtigheid nodig met al te nette stambomen. De antieke druif wordt wel gerelateerd aan mondeuse en daarmee indirect aan de genetische familie rond syrah, maar een simpele gelijkstelling is niet mogelijk.
Juist die onzekerheid maakt de geschiedenis interessant.
Moderne druivenrassen zijn geen onveranderlijke museumstukken die tweeduizend jaar geleden al netjes per appellation stonden aangeplant. De Europese wijngaard is het resultaat van langdurige selectie, kruising, verplaatsing en aanpassing.
De antieke wijnboer sprak misschien niet over terroir zoals wij dat tegenwoordig doen, maar hij stond wel voor dezelfde fundamentele vraag:
Welke wijnstok werkt op deze plek?
Geen keurige rijen van één druivenras
Ook het beeld van de antieke wijngaard verdient correctie.
Veel moderne wijnliefhebbers zijn gewend aan percelen die met één druivenras zijn beplant: pinot noir hier, chardonnay daar, syrah op een andere helling. Historisch was gemengde aanplant echter veel normaler.
Verschillende druiven konden binnen dezelfde wijngaard naast elkaar staan. De wijn die daaruit voortkwam, was dan vanzelf een assemblage, maar niet in de moderne betekenis van afzonderlijke partijen die na de vinificatie zorgvuldig worden gemengd.
De blend stond als het ware al in de grond.
Dat principe bleef in Europa nog zeer lang bestaan. Het idee dat druivenrassen strikt gescheiden moeten worden geplant, is historisch gezien veel minder vanzelfsprekend dan het tegenwoordig lijkt.
Ook hier ligt een interessant contrast met onze hedendaagse manier van kijken. Wij willen een wijn vaak begrijpen via een helder etiket: één streek, één druif, één herkomst.
De historische wijngaard was meestal rommeliger — en misschien juist daardoor fascinerender.
Waarom onze kennis plotseling minder precies wordt
Vanaf ongeveer de tweede eeuw na Christus veranderde ook het transport van wijn. De amfoor verloor terrein aan het houten vat.
Voor handelaren was hout aantrekkelijk. Vaten waren praktisch, relatief robuust en goed geschikt voor vervoer over land en rivier.
Voor historici was het een ramp.
Aardewerk kan na tweeduizend jaar nog steeds worden opgegraven. Hout vergaat. Waar archeologen aan duizenden amfoorscherven handelsstromen kunnen aflezen, laat een verdwenen vat nauwelijks een spoor na.
Daardoor lijkt de archeologische wijnwereld vanaf een bepaald moment dunner gedocumenteerd.
Dat is een belangrijke waarschuwing. Afwezigheid van materiaal betekent niet automatisch afwezigheid van wijn.
Soms is de geschiedenis gewoon opgegeten door de bodem.
Het einde van Rome was niet het einde van wijn
De ondergang van het West-Romeinse Rijk in de vijfde eeuw bracht politieke versnippering en economische onzekerheid. Gallië werd achtereenvolgens of gelijktijdig door verschillende Germaanse machtsgroepen bestuurd.
In oudere geschiedschrijving werd die periode graag voorgesteld als een confrontatie tussen verfijnde Romeinse wijncultuur en bierdrinkende ‘barbaren’.
Dat beeld houdt nauwelijks stand.
De nieuwe machthebbers hadden geen principiële afkeer van wijn. Integendeel: wijngaarden waren economisch waardevol en wijn was aantrekkelijk als consumptiegoed. Visigotische wetgeving beschermde wijngaarden zelfs tegen beschadiging. Ook tijdens de politieke onrust lijken wijngebieden in verschillende regio’s te zijn blijven bestaan of zich verder te hebben ontwikkeld.
Wat wel veranderde, waren de structuren waarbinnen de wijnhandel functioneerde.
De Romeinse wereld had een groot geïntegreerd handelsgebied gevormd. Met het wegvallen daarvan werden verbindingen onzekerder en regionale economieën belangrijker.
Voor wijn betekende dat niet noodzakelijk een catastrofe. Lokale productie kon juist extra waarde krijgen wanneer import lastiger werd.
De kerk wordt grootgrondbezitter
Tegelijkertijd vond een andere verandering plaats die voor de geschiedenis van Franse wijn grote gevolgen zou hebben.
Het christendom breidde zich uit.
Wijn had in het christelijke ritueel een uitzonderlijke positie. De eucharistie gaf hem een religieuze betekenis die bier niet bezat. Maar het zou een romantische versimpeling zijn om te beweren dat kerken en kloosters daarom massaal wijngaarden aanlegden om miswijn te kunnen produceren.
Voor de liturgie zelf waren betrekkelijk kleine hoeveelheden nodig.
De economische werkelijkheid was veel omvangrijker.
Kloosters moesten bewoners, gasten, reizigers en soms grote gezelschappen voeden. Wijn maakte deel uit van de dagelijkse consumptie in veel religieuze gemeenschappen en kon worden verkocht. Pachten en andere verplichtingen konden eveneens in wijn worden betaald. Bisschoppen en kerkelijke instellingen bezaten bovendien landbouwgronden als onderdeel van grotere vermogens.
De wijngaard was dus tegelijkertijd sacrament, landbouwgrond, voorraadkamer en inkomstenbron.
Hebben monniken de Franse wijn gered?
Er bestaat een hardnekkig romantisch verhaal over de periode na Rome.
De beschaving zou zijn ingestort, wijngaarden zouden zijn verwaarloosd en ijverige monniken zouden tussen hun gebeden door de wijnbouw voor de ondergang hebben behoed.
Zoals veel goede wijnverhalen bevat het een kern van waarheid en een flinke hoeveelheid folklore.
Kloosters waren absoluut belangrijk. Ze beschikten over een institutionele continuïteit die particuliere grondbezitters vaak niet hadden. Een abdij kon grond eeuwenlang bezitten. Monniken hielden administraties bij, verzamelden landbouwkundige ervaring en maakten deel uit van netwerken waarin kennis kon circuleren.
Maar zij waren niet de enige wijnboeren.
Adel en andere vermogende landeigenaren bezaten eveneens wijngaarden. Boeren verbouwden druiven op gepachte grond. Het probleem is vooral dat kloosterarchieven veel beter zijn bewaard gebleven dan de administraties van ontelbare particuliere eigenaren.
Daardoor kijken we naar het verleden door een enigszins kerkelijk gekleurde lens.
De grote rol van kloosters is reëel.
Hun monopolie op de middeleeuwse wijnbouw is dat niet.
Saint-Germain-des-Prés: wijnbouw op serieuze schaal
Een van de meest verhelderende voorbeelden komt uit de omgeving van Parijs.
De benedictijner abdij Saint-Germain-des-Prés beschikte in de vroege negende eeuw over omvangrijke landbouwbezittingen. Een deel daarvan bestond uit verspreid liggende wijngaarden, vooral in gebieden die via Seine en Marne bereikbaar waren.
De bron vermeldt een aanzienlijke productie, deels rechtstreeks voor rekening van de abdij en deels afkomstig van pachters die verplichtingen in wijn betaalden. Slechts een gedeelte daarvan was nodig voor de eigen consumptie van de gemeenschap en haar gasten; de rest kon economisch worden benut.
Dit detail zegt veel.
Wijnbouw rond Parijs was geen curiositeit en evenmin alleen een religieuze activiteit. Er bestond een reële markt.
Dat klinkt misschien vreemd voor wie Frankrijk uitsluitend door de kaart van de huidige appellations bekijkt. Toch waren in de geschiedenis wijngaarden rond steden heel normaal. De nabijheid van consumenten was economisch belangrijker dan de reputatie die een streek vele eeuwen later zou krijgen.
Parijs was ooit een wijnstad in een veel letterlijkere betekenis dan tegenwoordig.
Wijn en bier bestonden naast elkaar
Een ander hardnekkig misverstand is dat wijn bier simpelweg zou hebben verdrongen zodra de Romeinse en christelijke cultuur zich verspreidde.
Daarvoor is weinig bewijs.
In Gallië en het vroege middeleeuwse Frankrijk bleven beide dranken naast elkaar bestaan. In gebieden waar wijn duur of moeilijk verkrijgbaar was, lag bier voor de hand. In wijnproducerende regio’s kon wijn veel toegankelijker zijn.
Ook kloosters vormden daarop geen uitzondering. Hoewel de Regel van Benedictus wijnconsumptie behandelde, paste men de praktijk in biergebieden aan de lokale omstandigheden aan.
Die mengcultuur is misschien minder elegant dan het latere nationale zelfbeeld waarin Frankrijk bijna vanzelfsprekend met wijn wordt vereenzelvigd, maar historisch is ze veel waarschijnlijker.
Frankrijk werd niet van de ene dag op de andere een wijnland.
Eeuwenlang was het ook een bierland.
Champagne vóór de bubbels
In de Karolingische periode, vanaf de late achtste eeuw, verbeterde de politieke stabiliteit in grote delen van West-Europa. Voor landbouw en langeafstandshandel waren dat gunstiger omstandigheden.
Ook wijnbouw profiteerde daarvan.
De bron verbindt Karel de Grote met verschillende maatregelen en overleveringen rond wijnproductie. Niet iedere legende rond zijn naam hoeft letterlijk te worden opgevat, maar duidelijk is dat wijnbouw binnen de Karolingische economie een serieus landbouwkundig onderwerp was. Er bestonden zelfs voorschriften rond productie en hygiëne.
Champagne kreeg in deze eeuwen eveneens een steviger wijnbouwkundige basis. Abdijen bezaten er wijngaarden en regionale verschillen begonnen betekenis te krijgen.
Van mousserende champagne was uiteraard nog geen sprake.
Dat is voor moderne liefhebbers soms moeilijk voor te stellen. Eeuwenlang betekende wijn uit Champagne gewoon wijn uit Champagne — stil, niet noodzakelijk wit en totaal verschillend van de mousserende stijl waarmee de naam later wereldwijd beroemd zou worden.
De beroemde wijnregio’s van Frankrijk bestonden voordat hun beroemde wijnstijlen bestonden.
Rond het jaar 1000: een wijnland zonder Frankrijk
Tegen het jaar 1000 waren ongeveer vijftien eeuwen verstreken sinds de eerste duidelijk aantoonbare wijnbouw aan de mediterrane kust.
In die periode was verbazingwekkend veel veranderd.
Wijn was begonnen als importproduct uit de mediterrane wereld. De Grieken hadden lokale wijnbouw gevestigd. De Romeinen hadden productie en handel op veel grotere schaal georganiseerd. Wijngaarden waren vanuit het zuiden naar westelijke en noordelijke gebieden getrokken. Lokale en geïmporteerde wijnstokken waren geselecteerd voor verschillende klimaten. Na de Romeinse tijd waren wijnbouw en wijnhandel blijven voortbestaan binnen nieuwe politieke structuren. Kerkelijke instellingen, aristocraten en boeren hadden de wijnstok verder in het landschap verankerd.
Nog steeds ontbrak vrijwel alles wat wij tegenwoordig met Franse wijn associëren.
Er waren geen appellations.
Geen crus classés.
Geen officiële grenzen tussen Bourgondische climats.
Geen champagne in de moderne betekenis.
Geen château-cultuur van Bordeaux.
Geen systeem waarin een druif als pinot noir vanzelfsprekend bij Bourgogne en syrah bij de noordelijke Rhône hoorde.
En toch was de ondergrond gelegd waarop dat alles later kon ontstaan.
De oorsprong van terroir ligt ook in economie
Misschien is dit wel de interessantste les van de vroege geschiedenis van Franse wijn.
Wanneer we tegenwoordig over terroir spreken, denken we graag aan bodem, expositie, klimaat en druivenras. Dat zijn zonder twijfel cruciale factoren. Maar historische wijngebieden worden nooit uitsluitend door geologie gevormd.
Een wijngaard moet ook economisch kunnen bestaan.
De vroege Franse wijnbouw volgde daarom havens, steden en rivieren. Marseille, Narbonne, Toulouse, Bordeaux, Vienne, Lyon, de Rhône, Saône, Garonne en Loire waren niet toevallig belangrijk. Ze verbonden wijngaarden met drinkers.
Ook de keuze om ergens wijnstokken te planten werd mede bepaald door transportkosten. Wanneer aangevoerde wijn duur was, kon lokale wijn aantrekkelijk worden — zelfs wanneer die niet per definitie beter smaakte.
Het Franse wijnlandschap is dus zowel een product van natuur als van menselijke infrastructuur.
Terroir heeft ook een economische geschiedenis.
Van vreemde drank naar eigen cultuur
De langste ontwikkeling is misschien nog fundamenteler.
Wijn kwam Gallië binnen als iets vreemds.
Eerst was hij het product van Etruskische kooplieden. Daarna van Griekse kolonisten. Vervolgens kwam hij in enorme hoeveelheden uit Romeins Italië.
Maar langzaam veranderde de richting.
Gallië begon zijn eigen wijn te produceren. Druiven pasten zich aan lokale omstandigheden aan. Handelaren verkochten Gallische wijn buiten de regio waar hij werd gemaakt. Wijngaarden werden bezit van lokale elites, religieuze instellingen en boeren. Wijn werd onderdeel van gastvrijheid, economie, religie en sociale omgang.
Op een gegeven moment was wijn niet langer iets dat Gallië uit de mediterrane wereld ontving.
Hij was van Gallië zelf geworden.
Daar ligt het werkelijke begin van de Franse wijncultuur.
Niet in één beroemde wijngaard en evenmin bij één druivenras of historische figuur, maar in een geleidelijke toe-eigening die vele eeuwen duurde.
De geschiedenis van Franse wijn is een geschiedenis van continuïteit
Het is verleidelijk om wijnhistorie te vertellen als een reeks grote ontdekkingen. De Grieken brengen de wijnstok. De Romeinen planten de wijngaarden. De monniken redden de wijn. Champagne vindt de belletjes uit. Bordeaux ontdekt zijn grands crus.
De werkelijkheid is minder ordelijk — en juist daardoor rijker.
Wijnbouw ontwikkelt zich door herhaling. Door generaties die dezelfde hellingen opnieuw bewerken, druiven selecteren die iets beter rijpen, handelsroutes gebruiken die al bestonden en land doorgeven aan nieuwe eigenaren.
Frankrijk werd niet op één moment een wijnland.
Het werd het langzaam.
Toen rond het jaar 1000 een nieuwe fase van economische en demografische groei begon, stond er daardoor al een uitgebreid netwerk van wijngaarden waarop de middeleeuwse wijnwereld kon voortbouwen.
De grote Franse wijngebieden zouden in de daaropvolgende eeuwen steeds scherper hun eigen identiteit krijgen. Bourgogne zou zijn uitzonderlijke aandacht voor plaats ontwikkelen. Bordeaux zou dankzij internationale handel uitgroeien tot een van de machtigste wijnregio’s van Europa. Champagne zou eeuwen later een totaal nieuwe betekenis geven aan mousserende wijn. Langs Loire en Rhône zouden lokale tradities zich steeds verder uitkristalliseren.
Maar geen van die verhalen begint bij nul.
Onder bijna iedere beroemde Franse wijngaard ligt een oudere geschiedenis.
Niet noodzakelijk van dezelfde druif, dezelfde wijn of zelfs dezelfde smaak — maar wel van mensen die ontdekten dat op die plaats wijn kon worden gemaakt, gedronken en verkocht.
En misschien is dat de meest passende oorsprong voor de Franse wijncultuur: niet een mythisch moment waarop Frankrijk de wijn uitvond, maar een geschiedenis waarin Frankrijk eeuwenlang leerde wat het met de wijnstok kon worden.


